Academische verklaring over de ethiek van vrije en trouwe relaties tussen personen van hetzelfde geslacht
| Deutsch | English | Español | Français | Italiano | Polska | 官话 |
Voorwoord
In deze tijd van baanbrekende uitdagingen biedt dit ‘Academic Statement on the Ethics of Free and Faithful Same-Sex Relationships’ een krachtig intellectueel en spiritueel manifest ten gunste van zowel niet-heteroseksuele mensen als de gemeenschap van de Rooms-Katholieke Kerk. Laat ik even stilstaan bij deze vier elementen: tijd, boodschap, mensen en de Rooms-Katholieke Kerk.
De tijd van de baanbrekende uitdaging
Toen Nicolaus Copernicus in 1543 De revolutionibus orbium coelestium publiceerde, waarin hij de heliocentrische theorie formuleerde, onttroonde hij de aarde en de mensheid van hun positie in het centrum van het universum en veroorzaakte hij een radicale crisis in de bijbelse kosmologie. De leer van de Rooms-Katholieke Kerk leek in gevaar te zijn en het duurde meer dan twee eeuwen voordat Copernicus’ boek van de Index van Verboden Boeken werd gehaald. De kerkelijke ontvangst van zijn ontdekking, en de daaruit voortvloeiende bijstelling van het Bijbelse begrip, duurde lang, en in het proces kostte het de vrijheid van Galileo Galilei en het lijden van velen. Dit werd uiteindelijk erkend door het paus zelf, die in 2000 om vergeving vroeg “voor het geweld dat sommigen hebben gebruikt in dienst van de waarheid”.[1]
Later, in 1859, begon met de publicatie door Charles Darwin van On the Origin of Species, waarin hij de basis schetste van de evolutietheorie, de tweede grote wetenschappelijke revolutie, en daarmee een nieuwe uitdaging voor de Rooms-Katholieke Kerk. Met Copernicus ging de oude geocentrische kosmologie, die door de bijbelse interpretatie werd ondersteund, ten onder; met Darwin begon het traditionele begrip van de wereldgeschiedenis af te nemen, waardoor veel zekerheden van de bijbelse chronologie werden ondermijnd. De bijbelse referentiepunten betreffende een definitief begin en einde van de wereld vervielen tot onbepaaldheid. Het hele begrip van de werkelijkheid was aan het veranderen, waardoor het “zijn” plaats moest maken voor het “worden”. Het probleem van het naast elkaar bestaan van de bijbelse schepping en de evolutionaire ontwikkeling moest worden opgelost, iets wat mogelijk is, in tegenstelling tot de aanvankelijke indrukken van de kerkelijke autoriteiten. Ook de kerkelijke confrontatie met de evolutiewetenschappen verliep moeizaam: pas aan het einde van de twintigste eeuw erkende het pausdom dat de evolutietheorie meer is dan een wetenschappelijke hypothese,[2] en dat een religieus geloof, dat zichzelf in overeenstemming acht met de menselijke rede, er dus niet omheen kan de bevindingen ervan te integreren.
De Copernicaanse revolutie dwong ons ons begrip van de mensheid in de ruimte te veranderen; de Darwinistische revolutie eiste een nieuw begrip van de mensheid in de geschiedenis en de tijd. Beide revoluties vereisten een herziening van de bijbelse interpretaties en theologische formuleringen die tot dan toe zekerheid hadden verschaft aan de geesten van de christenen, en elke poging tot een objectieve beoordeling van hun juistheid deed de kerkelijke autoriteiten vrezen de geopenbaarde waarheid te verraden. De moeilijkheid leek onoverkomelijk en voedde het wantrouwen tegen en de afwijzing van wetenschappelijke ontdekkingen, die al te lang werden afgedaan als “voorbijgaande grillen”, “ideologieën die onverenigbaar zijn met het geloof” of “hypothesen die geen zekerheid bieden”. Angst verlamde jarenlang het begin van een serieuze dialoog met actuele wetenschappelijke kennis.
In de twintigste eeuw heeft het wetenschappelijk onderzoek een derde baanbrekende revolutie teweeggebracht, die niet langer de ruimte van het heelal betrof, noch de geschiedenis van de mensheid, maar onze meest intieme dimensie: de seksualiteit. De verschuiving in het denken betreft nu de constructie en het begrip van de personen zelf, hun identiteit en waardigheid als seksuele wezens die gekenmerkt worden door een verscheidenheid van seksuele geaardheden. Het aangaan van deze nieuwe uitdaging is waarschijnlijk nog moeilijker dan de twee vorige revoluties, omdat het iets in twijfel trekt dat centraal staat in het mens-zijn: namelijk zowel een “individu” zijn als “in relaties met anderen”. Opnieuw beven de eeuwenoude zekerheden en de tot nu toe onbetwiste constanten van ons begrip van de werkelijkheid voor de uitdaging van de ontdekking, waarbij de geest van sommige christenen vaker wel dan niet zijn toevlucht neemt tot de verwerping van de ontwikkelingen in de menselijke kennis.
In het verleden waren de bijbelse kosmologie en historiografie in crisis, nu lijkt de bijbelse antropologie bedreigd te worden. Ook op dat punt lijkt de bijbelse boodschap op het eerste gezicht in strijd met de bevindingen van de menswetenschappen. De bijbel lijkt zich te verzetten tegen het feit dat seksualiteit in haar aard niet alleen door heteroseksualiteit kan worden gedefinieerd: zij omvat in plaats daarvan een scala van seksuele geaardheden, waaronder homoseksualiteit. Zoals bij de ontdekkingen van het heliocentrisch stelsel en de evolutie van de soorten, zo is ook de tegenstelling tussen het huidige begrip van de menselijke seksualiteit en de bijbelse boodschap slechts schijnbaar onoverkomelijk. Het Woord van God staat namelijk open voor en is bereid tot aanvaarding van de gaven van het menselijk verstand met betrekking tot seksualiteit in het algemeen en seksuele geaardheid van personen van hetzelfde geslacht in het bijzonder. De Kerk wordt daarom opnieuw opgeroepen om zich bewust te worden van deze openheid van het geopenbaarde Woord, een Woord dat niet bang is voor de begrijpelijkheid en rationaliteit van de menselijke kennis. Voor de intelligentia fidei ligt de uitdaging van de derde epochale revolutie.
Een boodschap van hoop in de tijd van wankelende zekerheden
De Academische Verklaring over de Ethiek van Vrije en Trouwe Relaties tussen Personen van hetzelfde geslacht, opgesteld onder auspiciën van het Wijngaards Instituut voor Katholiek Onderzoek, geeft op profetische wijze de noodzaak weer van dit kritieke tijdstip in de christelijke geschiedenis. Het onderzoek concludeert dat “er geen gronden zijn, noch vanuit de wetenschap noch vanuit de Bijbel, om de huidige pauselijke leer te ondersteunen dat elke geslachtsdaad een voortplantingsbetekenis en -doel heeft, en dat bijgevolg daden van hetzelfde geslacht ‘intrinsiek ongeordend’ zijn omdat ze voortplantingsbetekenis en -doel missen” (§1.5). Daarom wordt dringend aanbevolen dat “de bevoegde autoriteiten in de katholieke kerk een officieel raadplegingsproces opzetten om de mening van christelijke theologen en deskundigen in andere relevante disciplines in te winnen met betrekking tot de ethiek van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht” (§2.1). In een dergelijk transparant proces van kerkelijke studie dienen de geraadpleegde wetenschappelijke autoriteiten de opvattingen van de meerderheid van de relevante academische gemeenschappen te vertegenwoordigen. Het is de verantwoordelijkheid van de bevoegde kerkelijke autoriteiten om een nieuwe uitspraak te doen die het huidige leerstellige en morele standpunt herziet in het licht van de huidige wetenschappelijke en bijbelse kennis. Het huidige onderzoek kan worden beschouwd als de eerste stap in dit proces van rijping.
Zelfs in het geval dat het leergezag van de Kerk geen absolute zekerheid heeft over de nieuwe menselijke en bijbelse kennis over de seksuele geaardheid van personen van hetzelfde geslacht, zal het niet mogelijk zijn ten minste het bestaan te ontkennen van gegronde twijfels over de geldigheid van de traditionele systematisering van de kerkelijke kennis over seksualiteit. De gemeenschap van Trouwen kan niet generaties lang de taak verwaarlozen om tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde bezwaren van de wetenschappen en de bijbelstudies op zo’n vitaal gebied als de seksualiteit. Men begrijpt dus de urgentie van een serieuze en objectieve confrontatie door de Kerk met een goed verstaan van seksuele geaardheid. Seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht is, net als heteroseksuele gerichtheid, geen “neiging”, het resultaat van de keuze van een individu, van een gebrek of een onnatuurlijke factor. Seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht is veeleer het natuurlijke vermogen tot een diepe emotionele, affectieve en seksuele aantrekking tot, en intieme en seksuele relaties met personen van hetzelfde geslacht. Vandaag de dag bestaat er geen twijfel meer over dat de verscheidenheid aan seksuele geaardheden veel meer is dan een wetenschappelijke hypothese, en als zodanig vraagt om serieus genomen te worden door theologische reflectie.
Men kan vaststellen dat de noodzaak van een gewenste herziening door de Kerk ook inherent is aan het officiële rooms-katholieke standpunt. Tegenwoordig is het steeds gebruikelijker om toe te geven dat zekerheden uit het verleden achterhaald worden, hetgeen geïllustreerd kan worden met het volgende voorbeeld. Terwijl het recente document over de bijbelse antropologie van de Pauselijke Bijbelcommissie definitief erkent dat de bijbelse passage in Gen 19:1-29 niets te maken heeft met homoseksualiteit,[3] gebruikt de Catechismus van de Katholieke Kerk van 1992, die bindend is voor alle katholieken, die passage nog steeds als eerste bijbelse stap om homoseksualiteit te veroordelen als een ernstige verdorvenheid.[4] Dit is slechts één van de doctrinaire inconsistenties die – zoals aanbevolen door de Academische Verklaring over de Ethiek van Vrije en Trouwe Relaties tussen Personen van hetzelfde geslacht – nu om een grondige herziening vragen. Aan zo’n herziening kan niet worden voldaan door slechts zwijgend voorbij te gaan aan de sleutelpassage die verantwoordelijk is voor een eeuwenoude homofobe interpretatie van de bijbelse en postbijbelse wereld.
De Academische Verklaring toont punctueel aan dat de gehele bijbelse argumentatie die lange tijd als fundamenteel werd beschouwd voor de veroordeling van homoseksualiteit, niet langer als zodanig kan worden beschouwd in het licht van de ontwikkeling van de menswetenschappen en de bijbelse studies. In die zin neemt de Verklaring het andere beginsel over dat in het bovengenoemde document van de Pauselijke Bijbelcommissie wordt erkend en ontwikkeld: “de Bijbel spreekt niet over erotische neigingen tot een persoon van hetzelfde geslacht, maar alleen over homoseksuele handelingen. En het behandelt deze in een paar teksten, die verschillen in literair genre en belang”.[5] Inderdaad, de bijbelse wereld kon seksuele oriëntatie op hetzelfde geslacht niet hebben gekend als een essentieel kenmerk van de menselijke seksualiteit. “Hoewel de bijbelse auteurs wisten dat sommige mensen zich bezighielden met seksuele activiteiten met iemand van hetzelfde geslacht, is het onwaarschijnlijk dat een van hen wist dat sommige mensen hadden wat nu een ‘homoseksuele oriëntatie’ wordt genoemd, d.w.z. een aangeboren, exclusieve en permanente seksuele aantrekking tot hetzelfde geslacht.”[6] Voor de ethiek is, net als voor de antropologie, het gebrek aan kennis over de seksuele identiteit een duidelijk probleem: men kan niet tot een exacte ethische beoordeling van handelingen van seksuele aard concluderen zonder een adequaat begrip van de seksuele aard van het onderwerp van de handelingen zelf (agitur sequitur esse). De bijbelse teksten waren gebaseerd op kennis van de seksualiteit die eigen was aan hun tijd, en zij moeten gelezen worden op basis van de grotere kennis die wij vandaag hebben.
Ten gunste van de menselijke persoon
Er is een belangrijk verschil tussen de ontwikkeling van de kennis over onze seksualiteit en die over het zonnestelsel of de evolutie van de soorten. In het verleden konden wetenschappelijke nieuwigheden, wel beschouwd, zaken blijven die niet van primair belang waren voor het dagelijks leven en de geestelijke ervaring van de meeste mensen. Vandaag de dag daarentegen raakt het begrip van seksualiteit ieder mens en heeft het rechtstreeks betrekking op zijn dagelijkse ervaring van intermenselijke, familiale, sociale en kerkelijke relaties, zijn liefdesleven, en vooral zijn positieve aanvaarding van zichzelf, zijn identiteit en waardigheid. In dit licht is de plicht van de godsdienst om zin te geven aan de seksuele gerichtheid van personen van hetzelfde geslacht veel dringender dan haar plicht om zich bezig te houden met de bewegingen van de planeten of de evolutionaire ontwikkelingen van de soorten. Het recht op een waardig leven, een affectieve en psychoseksuele rijpheid vrij van ongerechtvaardigde gewetensconflicten, en een juist begrip van seksuele rechten en verantwoordelijkheden, kunnen niet onnodig moeten wachten op een religieus antwoord dat consistent is met actuele menselijke en bijbelse kennis.
Het grondige onderzoek dat in de Academische Verklaring wordt aangeboden, is zeker niet een voorbeeld van verfijnde exegetische en theologische output die nauwelijks toegankelijk is voor niet-specialisten. In werkelijkheid staan er achter de academische wereld mensen, en de academische wereld staat empathisch aan de kant van de mensen, vooral wanneer die de minderheid vertegenwoordigen, de “laatsten” die de eerste zorg van de Kerk zijn en moeten zijn. Wanneer mensen lijden, omdat zij zich gediscrimineerd en vervolgd voelen, afgewezen of gemarginaliseerd vanwege leerstellingen, wetten en disciplines, over de juistheid waarvan thans gegronde twijfels bestaan, hebben de bevoegde kerkelijke autoriteiten de religieuze en christelijke plicht deze zorgvuldig en met empathie te herzien.
Een geschenk en een verplichting voor de Rooms-Katholieke Kerk
De Academische Verklaring over de Ethiek van Vrije en Trouwe Relaties tussen personen van hetzelfde geslacht is een geschenk en vraagt een engagement van de Kerk die door paus Franciscus wordt gewenst. Exegeten en theologen, zich bewust van hun wetenschappelijke en christelijke verantwoordelijkheid, richten zich tot die “Kerk die ‘voortgaat’ [die] moedig het initiatief neemt”.[7] Hun werk “helpt ‘het oordeel van de Kerk te rijpen'”, een Kerk die “moet groeien in haar interpretatie van het geopenbaarde Woord en in haar begrip van de waarheid”,[8] omdat “de christelijke leer geen gesloten systeem is, dat niet in staat zou zijn om vragen, twijfels, onderzoek te doen, maar het leeft”.[9]
Door de vooruitgang van de geesteswetenschappen en de bijbelwetenschappen aan de Kerk voor te leggen, verrichten de ondertekenaars een daad van intellectuele oprechtheid en vertrouwen in de Kerk, zoals met profetische ijver beschreven door paus Franciscus:
De Kerk heeft niet de wens om de wonderbaarlijke vooruitgang van de wetenschap tegen te houden. Integendeel, zij verheugt zich en geniet zelfs van de erkenning van het enorme potentieel dat God aan de menselijke geest heeft gegeven. Wanneer de wetenschappen – competent gericht op hun specifieke onderzoeksgebied – tot een conclusie komen die de rede niet kan weerleggen, spreekt het geloof deze niet tegen.[10]
De Paus zelf loopt vooruit op een positieve kerkelijke reactie op de bevoegde verzoeken:
Luisteren betekent zich laten raken door de werkelijkheid. Luisteren moet de eerste stap zijn, maar het moet gebeuren met een open geest en hart, zonder vooroordeel. […] Als ik moet luisteren, moet ik de werkelijkheid aanvaarden zoals zij is, om te zien wat mijn antwoord moet zijn […] zonder vooroordelen of vooraf ingenomen standpunten, [en zonder] dogmatische vooroordelen.[11]
Dit academisch onderzoek houdt zich bezig met de meest intieme werkelijkheid van de menselijke persoon, en “werkelijkheden zijn groter dan ideeën”[12]:
De werkelijkheid is er nu eenmaal, terwijl ideeën worden uitgewerkt. Er moet een voortdurende dialoog zijn tussen die twee, om te voorkomen dat ideeën loskomen van de werkelijkheid. Het is gevaarlijk om alleen in het rijk van de woorden te vertoeven, van de beelden en de retoriek. […] Ideeën – conceptuele uitwerkingen – staan ten dienste van communicatie, begrip en praxis.[13]
Vandaag moet de kostbare levende “idee”, die voor rooms-katholieken de leer van de rooms-katholieke kerk is, het hoofd bieden aan de antropologische uitdaging van seksualiteit. Paus Franciscus vat deze uitdaging in vol bewustzijn op:
Het menselijk zelfverstaan verandert met de tijd en zo verdiept ook het menselijk bewustzijn. Denken we maar aan de tijd dat slavernij werd aanvaard of de doodstraf zonder enig probleem werd toegestaan. Zo groeien we in het begrip van de waarheid. […] Immers, in elk tijdperk van de geschiedenis trachten de mensen zichzelf beter te begrijpen en uit te drukken. Dus de mens verandert mettertijd de manier waarop hij zichzelf ziet. […] In het denken over de mens moet de kerk daarom streven naar genialiteit en niet naar decadentie. […] Het denken van de kerk moet de genialiteit terugwinnen en beter begrijpen hoe de mens zichzelf vandaag begrijpt, om zo de leer van de kerk te ontwikkelen en te verdiepen.[14]
Het aanvaarden van de deskundigheid van de menswetenschappen over seksualiteit en deze serieus confronteren met het geopenbaarde Woord, met de bekwame hulp van exegeten, theologen en wetenschappers, maakt deel uit van de geroepen genialiteit van een kerk die in staat is tot moed en evangelische profetie. Alleen zo’n sterke geestelijke identiteit maakt het mogelijk te groeien in het begrip van iets dat ooit als zeker werd beschouwd, net zoals het in het verleden ondenkbaar leek dat de ontdekkingen van de rooms-katholiek Nicolaus Copernicus en de anglicaan Charles Darwin verenigbaar konden zijn met de waarheid van het christelijk geloof.
De confrontatie van de geopenbaarde waarheid, waarvan de gemeenschap van christenen de bewaarder is, met de deskundigheid van de menswetenschappen en de exegese op het gebied van de seksualiteit, die door de Academische Verklaring op solide wijze wordt samengevat, zal ons in staat stellen de huidige conceptualisering van de christelijke seksuele ethiek en haar visie op de mens, door en voor Gods liefde geschapen, te consolideren en te verbeteren. Het wetenschappelijk inzicht van vandaag in de aangeboren seksuele geaardheid helpt ons het ware uitgangspunt en het hart van de religieuze antropologie te vatten: de mens die geschapen is naar het beeld van God, die de zuivere Relationaliteit van Liefde is. De Bijbel beslecht niet de wetenschappelijke vraag hoe seksualiteit in elkaar zit, maar leert ons het uitgangspunt en het uiteindelijke doel waartoe de menselijke seksualiteit moet dienen: de liefde. In zijn tijd verdedigde de rooms-katholieke Galileo Galilei het inzicht dat de Bijbel de weg wijst om naar de hemel te gaan, niet de weg die de sterrenhemel gaat. Het eerste is de taak van de godsdienst, het tweede is de bevoegdheid van de wetenschap. Vandaag worden wij opgeroepen hetzelfde principe te volgen met betrekking tot het universum van de menselijke seksualiteit: de Bijbel leert ons hoe iemands seksualiteit in liefde wordt verwezenlijkt, en niet hoe zij in haar gedifferentieerde aard bestaat. Het eerste is de taak van de godsdienst, het tweede de onontbeerlijke bijdrage van de menswetenschappen.
Krzysztof Charamsa, PhD
Theoloog
Voormalig medewerker van de Congregatie voor de Geloofsleer
Voetnoten bij het Voorwoord
[1] Paus Johannes Paulus II, “Predigt für den Tag der Vergebung” (12 März 2000), erhältlich hier: http://www.vatican.va/content/john-paul-ii/de/homilies/2000/documents/hf_jp-ii_hom_20000312_pardon.html.
[2] Paus Johannes Paulus II, Messaggio ai membri della Pontificia Accademia delle Scienze (22 Oktober 1996), §4, erhältlich hier http://www.vatican.va/content/john-paul-ii/it/messages/pont_messages/1996/documents/hf_jp-ii_mes_19961022_evoluzione.html.
[3] Pontificia commissione biblica, Che cosa è l’uomo? Un itinerario di antropologia biblica (Vatikanstadt: Libreria Editrice Vaticana, 2019), §§186-188, S. 162-65, erhältlich hier https://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/pcb_documents/rc_con_cfaith_doc_20190930_cosa-e-luomo_it.html, alle Übersetzungen aus dem Italienischen von mir.
[4] Katechismus der Katholischen Kirche (1992), §2357, erhältlich hier http://www.vatican.va/archive/DEU0035/_INDEX.HTM.
[5] Che cosa è l’uomo?, §185, p. 161.
[6] Interim Research Report, §5.1, https://www.wijngaardsinstitute.com/wp-content/uploads/2021/04/wicr__report_christian_objections_to_same_sex_unions__de__2021.pdf.
[7] “Apostolische Exhortation Evangelii gaudium über die Verkündigung des Evangeliums in der Welt von heute” [Evangelii gaudium] (24. November 2013), §24, erhältlich hier http://www.vatican.va/content/francesco/de/apost_exhortations/documents/papa-francesco_esortazione-ap_20131124_evangelii-gaudium.html.
[8] Evangelii gaudium, §40.
[9] Paus Franciscus, “Ansprache an die Teilnehmer der fünften Versammlung der italienischen Kirche” (10. November 2015), §14, erhältlich hier http://www.vatican.va/content/francesco/de/speeches/2015/november/documents/papa-francesco_20151110_firenze-convegno-chiesa-italiana.html.
[10] Evangelii gaudium, §243.
[11] Paus Franciscus, Discorso ai redattori e collaboratori della rivista “Aggiornamenti sociali” (6. Dezember 2019), erhältlich hier http://www.vatican.va/content/francesco/it/speeches/2019/december/documents/papa-francesco_20191206_rivista.html, Übersetzung von mir.
[12] Evangelii gaudium, §§231-32.
[13] Evangelii gaudium, §§231-32.
[14] Antonio Spadaro, “Interview mit Papst Franziskus,” 19. August 2013, §§96-99 (Titel des abschnitts: “Human Self-Understanding” [“Menschliches Selbstverständnis”]), erhältlich hier http://www.vatican.va/content/francesco/en/speeches/2013/september/documents/papa-francesco_20130921_intervista-spadaro.html.
Inleiding
“De katholieke moraal [over homoseksualiteit] zal intellectueel gemarginaliseerd worden, als zij vermijdt zich in verbinding te stellen met de ervaringen van de mensen en met de menswetenschappen, die over hen nadenken.
Bovendien moet de dialoog met de exegetische en moraaltheologische kennis van de laatste decennia van dien aard zijn, dat de vooruitgang van het leren en van de kennis niet bij voorbaat wordt uitgesloten.”
In de afgelopen decennia is de sociale acceptatie van LGBT-mensen opmerkelijk toegenomen. Een dergelijke verandering “is de reden waarom de morele kwestie van homoseksualiteit niet langer gaat over de aanvaardbaarheid ervan, maar over het verzet van de [katholieke] Kerk ertegen, over de homofobie van de [katholieke] Kerk”.[15] De huidige pauselijke leer veroordeelt handelingen van hetzelfde geslacht krachtig als altijd “intrinsiek ongeordend” (Persona Humana §8). Die leer is opnieuw opgenomen in de Catechismus van de Katholieke Kerk (RKK) – het officiële document dat gebruikt wordt om alle katholieken te informeren over de belangrijkste leerstukken van hun geloof – en wordt herhaald via het wereldwijde netwerk van katholieke parochies, scholen, universiteiten, enzovoort. Gezien het grote aantal leden van de katholieke kerk is haar reikwijdte enorm, en dat geldt ook voor de schade die zij wereldwijd toebrengt aan LGBT-mensen. Tot op de dag van vandaag zijn LGBT’s het doelwit van discriminatie die regelmatig leidt tot verbaal en fysiek geweld, discriminatie op het werk, ontslag en de dood.
De huidige en meest uitgebreide officiële uiteenzetting van deze argumenten dateert van 1986.[16] Haar veroordeling van homoseksuele handelingen is gebaseerd op twee hoofdargumenten: dat de bijbel ze verbiedt; en dat ze biologisch onvruchtbaar zijn, en dus niet in staat om “voortplanting” te vervullen, die wordt beschouwd als een noodzakelijke “finaliteit” van elke geslachtsdaad. Daarom concludeert de pauselijke leer dat de “homoseksuele geaardheid” “objectief ongeordend” is (KKK §2358); “homoseksuele handelingen” zijn “intrinsiek ongeordend” (KKK §2357); en “homoseksuele verbintenissen” zijn schadelijk voor alle betrokkenen.
Deze belangrijke beweringen worden eenvoudigweg gedaan zonder dat er een poging wordt gedaan om ze te rechtvaardigen op basis van relevante bewijzen, ondanks het feit dat deze pauselijke leringen zelf uitdrukkelijk en herhaaldelijk beweren toegankelijk te zijn voor het menselijk verstand en in overeenstemming te zijn met de natuurwetenschappen.
Sinds deze pauselijke beweringen zijn geformuleerd, verkeren we nu in een betere positie om ze te evalueren. De wetenschappen biologie, psychologie, sociologie en genetica hebben aanzienlijke vooruitgang geboekt in het begrijpen van de oorzaken, doeleinden en gevolgen van seksuele geaardheid. De legalisatie van het homohuwelijk in vele landen – ook daar waar katholieken een aanzienlijke invloed hebben op de vormgeving van de openbare aangelegenheden – biedt ook bewijs om de pauselijke veronderstellingen over de sociologische gevolgen van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht te evalueren.
Hetzelfde kan gezegd worden van bijbelstudies over wat de Bijbel bevestigt met betrekking tot de betekenissen en doeleinden van menselijke seksualiteit in het algemeen, en gedrag van mensen van hetzelfde geslacht in het bijzonder. Veelbetekenend is dat de bijbelse argumenten voor het veroordelen van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht worden gedeeld door andere mainstream christelijke kerken, waar zij vaak een cruciale rol spelen. Zo was bijvoorbeeld de bijbel de reden waarom de door de Church of England ingestelde “House of Bishops Working Group on Human Sexuality” in 2013 geen unanimiteit kon vinden met betrekking tot relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, in wat tot op de dag van vandaag een van de meest uitgebreide onderzoeksrapporten is over menselijke seksualiteit en het huwelijk, officieel in opdracht van welke christelijke kerk dan ook.[17] Een van de acht leden, een bisschop, weigerde de conclusies van het rapport te onderschrijven, voornamelijk op bijbelse gronden, die hij uiteenzette in een afwijkende verklaring die als bijlage bij het rapport was gevoegd.[18] En de bijbel blijkt opnieuw de belangrijkste splijtzwam te zijn in het onlangs gepubliceerde rapport Leven in liefde en geloof van het “Huis van Bisschoppen van de Generale Synode van de Kerk van Engeland.”[19]
Voor veel christelijke leiders zou elke systematische herziening van die bijbelteksten neerkomen op het in twijfel trekken van de vermeende duidelijke en ondubbelzinnige bijbelse veroordeling van homoseksuele handelingen. En zo blijft de bijbel een van de belangrijkste obstakels voor hervormingen, niet alleen binnen het katholicisme maar ook voor veel andere christelijke denominaties.
Toch zijn er in de hele bijbel slechts vijf korte passages geïdentificeerd die mogelijk verwijzen naar consensueel gedrag van mensen van hetzelfde geslacht, de zogenaamde “clobberteksten”: twee parallelle verzen uit het boek Leviticus, en drie uit het Nieuwe Testament, met name de brieven van de apostel Paulus. Zij zijn keer op keer geciteerd in officiële kerkelijke documenten als bijbelse rechtvaardiging voor het verbieden van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht.
De invloed van dergelijke teksten strekt zich uit tot in de populaire cultuur. In 2000 vond The West Wing, een populaire tv-serie over de Amerikaanse politiek, het nodig om een korte maar krachtige toespraak van een fictieve president van de Verenigde Staten op te nemen waarin hij kritiek uitte op de homobashende interpretatie van Leviticus 18:22.[20] Deze toespraak – zelf gebaseerd op een veel doorgestuurde e-mail – is sindsdien een populaire internet meme geworden die 20 jaar na de eerste uitzending op tv nog steeds op grote schaal wordt gedeeld op het web.
Opnieuw, in februari 2016, veroorzaakte Manny Pacquiao – toen parlementslid in de Filipijnen en een boksster – controverse door op zijn Instagram-account een citaat van Leviticus 20:13 te plaatsen waarin wordt opgeroepen tot de doodstraf voor homoseksualiteit, evenals citaten uit Leviticus 18:22 en 1 Kor. 6:9. De gebeurtenis kreeg wereldwijd veel aandacht: “Pacquiao’s post was ongeveer twee uur in de lucht en kreeg meer dan 18.000 likes voordat hij werd verwijderd”, meldde de Los Angeles Times.[21] De heer Pacquiao uploadde later nog een korte Instagram-post waarin hij, terwijl hij zich verontschuldigde voor de veroorzaakte belediging, herhaalde: “Ik ben tegen het homohuwelijk vanwege wat de Bijbel zegt”.[22] Dat was ook geen op zichzelf staand geval. In april 2019 schreef de Australische rugby union ster Israel Folau op zijn Instagram account, gevolgd door meer dan 360.000 mensen, dat “homoseksuelen” veroordeeld zouden worden tot “de hel” tenzij ze “berouw tonen”.[23] De heer Folau reageerde op het verzet door te benadrukken dat hij bleef bij “wat de Bijbel zegt”.[24] Hij werd uiteindelijk ontslagen, en de Australische Christelijke Lobby zamelde binnen 48 uur 2 miljoen dollar in om de juridische verdediging van de heer Folau in de rechtszaak die daarop volgde te helpen financieren.[25]
Gezien de uiteenlopende, maar zeer reële gevolgen die dergelijke bijbelse interpretaties kunnen hebben voor LGBT-mensen wereldwijd, wordt het steeds dringender om ze aan de tand te voelen. Bijbels onderzoek heeft in dat opzicht onlangs baanbrekende bevindingen opgeleverd, waarvan het revolutionaire potentieel niet kan worden overschat, in zoverre dat zij de traditionele interpretatie van alle vijf “clobberteksten” ondermijnen. Zij maken het uiteindelijk mogelijk om te bevestigen dat de twee sleutelverzen in Leviticus – en, meer in het algemeen, de hele Hebreeuwse Bijbel – vrije en trouwe relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht niet verbieden, laat staan veroordelen. En ze laten ook een vergelijkbare mate van vertrouwen toe met betrekking tot alle drie de passages van de apostel Paulus.[26]
Van belang is ook dat veel van dat cruciale onderzoek pas in de afgelopen twee jaar is gepubliceerd – sterker nog, de meest uitgebreide analyse tot nu toe van de twee Leviticus verzen is pas in maart 2020 gepubliceerd – en ze zijn dus nog steeds alleen bekend binnen academische kringen. Ze zijn nog niet opgepikt door kerkleiders, officiële kerkelijke documenten, of de media.[27]
Sinds augustus 2018 coördineert het Wijngaards Instituut voor Katholiek Onderzoek – een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde denktank zonder winstoogmerk – een interdisciplinair panel van twintig academici om de belangrijkste christelijke bezwaren tegen relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht te onderzoeken. Onder hen is bijzondere aandacht besteed aan de huidige pauselijke leer, en daarbinnen specifiek aan de bijbelse argumenten, om de zojuist geschetste redenen.[28]
De conclusies zijn uiteengezet in een onderzoeksrapport waarop de huidige Academische Verklaring is gebaseerd. De verklaring zelf bevat een beknopte “Samenvatting van de bevindingen”, gevolgd door “Aanbevelingen”. Beide delen zijn overeengekomen en goedgekeurd door alle leden van de redactiewerkgroep van het rapport, die als ondertekenaars zijn vermeld aan het eind van de Aanbevelingen.
Een derde en laatste deel is getiteld “Beoordeling van de officiële pauselijke argumenten tegen relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht”. Het biedt een meer gedetailleerde uitleg van de “Samenvatting van bevindingen” die gericht is op het huidige pauselijke standpunt over die kwestie. Net als het rapport is ook dit door alle ondertekenaars collegiaal getoetst.
Een van de doelstellingen van het rapport en de begeleidende academische verklaring is de verspreiding van de bevindingen uit de bijbelse studies en de andere relevante disciplines te helpen versnellen door ze onder de aandacht te brengen van de katholieke hiërarchie in het algemeen en de relevante Vaticaanse instellingen meer in het bijzonder. Evenzo hopen wij dat andere christelijke kerken die debatteren over de moraliteit van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, er belangstelling voor zullen hebben. Tegelijkertijd zal het rapport open blijven voor updates als er nieuwe bewijzen opduiken.
Het team van het Wijngaards Instituut, januari 2021
Voetnoten bij de inleiding
[15] Gerard Loughlin, “Catholic Homophobia,” Theology 121, no. 3 (May 1, 2018): 189.
[16] Congregatie voor de Geloofsleer, “Homosexualitatis Problema: On the Pastoral Care of Homosexual Persons” (1986), henceforth HP, http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/documents/rc_con_cfaith_doc_19861001_homosexual-persons_en.html. Some minor documents published since do not substantially expand the reasons provided in that document for a negative moral evaluation of all homosexual relationship as intrinsically immoral: Congregatie voor de Geloofsleer, “Some Considerations Concerning the Catholic Response to Legislative Proposals on the Non-Discrimination of Homosexual Persons,” July 24, 1992, http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/documents/rc_con_cfaith_doc_19920724_homosexual-persons_en.html; Congregatie voor de Geloofsleer, “Considerations Regarding Proposals to Give Legal Recognition to Unions between Homosexual Persons,” June 3, 2003, henceforth “Considerations 2003”, http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/documents/rc_con_cfaith_doc_20030731_homosexual-unions_en.html; Congregatie voor de Geloofsleer, “Concerning the Criteria for the Discernment of Vocations with Regard to Persons with Homosexual Tendencies in View of Their Admission to the Seminary and to Holy Orders,” August 31, 2005, http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/ccatheduc/documents/rc_con_ccatheduc_doc_20051104_istruzione_en.html, and in the Catechism of the Catholic Church (1992, CCC). HP also referred to an earlier document on sexual ethics, Congregatie voor de Geloofsleer, “Persona Humana: Declaration on Certain Questions Concerning Sexual Ethics” (1975, henceforth PH), https://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/documents/rc_con_cfaith_doc_19751229_persona-humana_en.html.
[17] House of Bishops of the Church of England, Report of the House of Bishops Working Group on Human Sexuality (London: Church House Publishing, 2013).
[18] Keith Sinclair, “Scripture and Same Sex Relationships,” in Report of the House of Bishops Working Group on Human Sexuality, ed. House of Bishops of the Church of England (London: Church House Publishing, 2013), 158–72.
[19] House of Bishops of the General Synod of the Church of England, Living in Love and Faith. Christian Teaching and Learning about Identity, Sexuality, Relationships and Marriage (London: Church House Publishing, 2020), https://www.churchofengland.org/sites/default/files/2020-11/LLF%20Web%20Version%20Full%20Final.pdf. Religion Media Centre, “Living in Love and Faith,” February 12, 2020, https://religionmediacentre.org.uk/factsheets/living-in-love-and-faith/: “De interpretatie van bijbelteksten vormt de kern van het geschil, waarbij traditionalisten een tekst die homoseksuele handelingen een “gruwel” noemt letterlijk nemen en anderen dit zien als een code geschreven in een bepaalde tijd in de geschiedenis, terwijl de strekking van de christelijke leer liefde, tolerantie en begrip is.” Onmiddellijk na de publicatie van Living in Love and Faith, “Julian Henderson, the bishop of Blackburn and president of the conservative Church of England Evangelical Council, said: ‘While discussions about these issues are always welcome … this is actually about obedience to scripture.’” Harriet Sherwood, “Church of England could rethink stance on LGBTQ+ issues by 2022,” The Guardian, November 9, 2020, https://www.theguardian.com/world/2020/nov/09/church-of-england-could-rethink-stance-on-lgbtq-issues-by-2022.
[20] “The Midterms”, The West Wing: Complete Season 2, 2003, DVD (originally broadcast 18 October 2000), extract available at https://www.youtube.com/watch?v=DSXJzybEeJM.
[21] Chuck Schilken, “Manny Pacquiao Posts Bible Verse That States Gay People Should Be Killed,” Los Angeles Times, February 18, 2016, sec. Sports, https://www.latimes.com/sports/la-sp-sn-manny-pacquiao-bible-instagram-20160218-story.html.
[22] Cindy Boren, “Manny Pacquiao Defends Stance on Gay Marriage with Bible Verse,” The Washington Post, February 18, 2016, www.washingtonpost.com/news/early-lead/wp/2016/02/18/manny-pacquiao-defends-stance-on-gay-marriage-with-bible-verse/; Guardian sport, “Manny Pacquiao Provokes Storm by Calling Gay People ‘Worse than Animals,’” The Guardian, February 16, 2016, https://www.theguardian.com/sport/2016/feb/16/manny-pacquiao-gay-people-worse-than-animals; Manny Pacquiao, Instagram, February 16, 2016, https://www.instagram.com/p/BB2BsT7udzM/.
[23] Tacey Rychter, “Australian Rugby Star’s Contract to Be Terminated Over Anti-Gay Comments,” New York Times, April 11, 2019, https://www.nytimes.com/2019/04/11/world/australia/israel-folau-rugby-contract.html.
[24] “Israel Folau: Australia end player’s contract over anti-gay message,” BBC Sport, April 15, 2019, https://www.bbc.co.uk/sport/rugby-union/47932231.
[25] “Israel Folau: Rugby star recoups donations in sacking row,” BBC News, June 25, 2019, https://www.bbc.co.uk/news/world-australia-48753566; Australian Associated Press, “Israel Folau reportedly tells Australian Christian Lobby he would ‘absolutely’ repeat anti-gay posts,” The Guardian, October 19, 2019, https://www.theguardian.com/sport/2019/oct/19/israel-folau-reportedly-tells-australian-christian-lobby-he-would-absolutely-repeat-anti-gay-posts.
[26] Bruce Wells, “On the Beds of a Woman: The Leviticus Texts on Same-Sex Relations Reconsidered,” in Sexuality and Law in the Torah, ed. Hilary Lipka and Bruce Wells, The Library of Hebrew Bible/Old Testament Studies (London: Bloomsbury, 2020), pp. 123-58; Brett Provance, “Romans 1:26–27 in Its Rhetorical Tradition”, in Greco-Roman and Jewish Tributaries to the New Testament. Festschrift in Honor of Gregory J. Riley, ed. Christopher S. Crawford, Claremont Studies in New Testament and Christian Origins vol. 4 (Claremont, CA: Claremont Press, 2018), pp. 83–116.
[27] Zo recent zijn die publicaties , dat het onmogelijk is geweest om ze in overweging te nemen door het hierboven genoemde Living in Love and Faith, het meest uitgebreide officiële kerkelijke rapport over de kwestie dat in november 2020 is gepubliceerd (maar waarvan de bevindingen in 2019 zijn afgerond na bijna twee jaar onderzoek, overleg en dialoog), of zelfs door het boek-length rapport van december 2019 van de Pontificia commissione biblica, Che cosa è l’uomo? Un itinerario di antropologia biblica (Vaticaanstad: Libreria Editrice Vaticana 2019), available at http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/pcb_documents/rc_con_cfaith_doc_20190930_cosa-e-luomo_it.pdf.
[28] Wijngaards Institute for Catholic Research, Christian Objections to Same-Sex Relationships: An Academic Assessment,, https://www.wijngaardsinstitute.com/wp-content/uploads/2020/08/christian_same_sex_relationships__interim_report.pdf.
1. Samenvatting van de bevindingen
1.1. Sommige personen zijn niet-heteroseksueel van geaardheid
Seksuele geaardheid is iemands mate van seksuele aantrekking tot personen van het andere geslacht, hetzelfde geslacht, of beide geslachten. Ze uit zich in fysiologische seksuele opwindingspatronen voor mannelijke of vrouwelijke erotische stimuli. Op zijn beurt motiveert seksuele aantrekking seksueel gedrag, en beide beïnvloeden de seksuele identiteit. Er is geen bewijs dat individuen hun genitale opwindingspatronen bewust kunnen veranderen om hun seksuele geaardheid of identiteit te veranderen.
Seksuele geaardheid wordt grotendeels bepaald tijdens de zwangerschap, door factoren die eerder genetisch en hormonaal dan sociaal bepaald zijn. In een significante minderheid van de gevallen is een dergelijke oriëntatie niet-heteroseksueel. Net als andere vormen van niet-heteroseksualiteit, is homoseksualiteit een “natuurlijke variatie binnen het scala van menselijke seksualiteit.”[30]
Omdat seksuele geaardheid grotendeels wordt bepaald tijdens de zwangerschap door genetische en hormonale factoren, is het niet het resultaat van een vrije keuze. Niet-heteroseksuele mensen zijn niet meer verantwoordelijk voor hun seksuele geaardheid dan heteroseksuele mensen voor de hunne.
1.2. De pauselijke leer
De huidige pauselijke leer veroordeelt geaardheid op basis van hetzelfde geslacht als “objectief ongeordend”, en handelingen op basis van hetzelfde geslacht altijd als “intrinsiek ongeordend” (Persona Humana §8, Homosexualitatis Problema §3, en Catechismus van de Katholieke Kerk §2358).
De pauselijke leer geeft twee soorten argumenten voor deze leer, die beide niet worden ondersteund door het relevante bewijsmateriaal.
1.3. Het Biologische Argument
Handelingen van personen van hetzelfde geslacht zijn “intrinsiek ongeordend” omdat zij niet in staat zijn tot biologische voortplanting, die beschouwd wordt als “een essentiële en onmisbare finaliteit” van elke geslachtsdaad (Persona Humana §8, ook Homosexualitatis Problema §3, Humanae Vitae §3, Catechismus van de Katholieke Kerk §§2357, 2366).
De natuurwetenschappen tonen echter aan dat de overgrote meerderheid van de handelingen van het heteroseksuele geslachtsverkeer niet het biologische vermogen tot voortplanting hebben, en daarom kunnen zij geen voortplanting als hun eigenlijke “finaliteit” hebben. In dit opzicht verschillen niet-heteroseksuele “handelingen” niet van de overgrote meerderheid van heteroseksuele “handelingen”: in beide gevallen zijn ze biologisch niet in staat tot voortplanting.
Bovendien beschouwt de huidige pauselijke leer het heteroseksuele geslachtsverkeer als ethisch legitiem, zelfs als er geen mogelijkheid tot voortplanting is (Humanae Vitae §11). Evenzo stellen de katholieke theologie en het kerkelijk recht dat het vermogen tot biologische voortplanting niet eens noodzakelijk is voor het sacramentele huwelijk: “Steriliteit verbiedt het huwelijk niet en maakt het ook niet ongeldig” (Codex Iuris Canonici §1084.3).
Individuele seksuele handelingen in het bijzonder, en het huwelijk in het algemeen, omvatten andere morele doeleinden dan voortplanting. Ook niet-heteroseksuele handelingen en relaties kunnen dezelfde niet-conceptieve morele doeleinden hebben. Het is daarom onjuist om ze als intrinsiek slecht te veroordelen omdat ze niet “per se [d.w.z. in en uit zichzelf] zijn geordend tot de voortplanting van menselijk leven” (Catechismus van de Katholieke Kerk §2366, waarin Humanae Vitae §11 wordt geciteerd), omdat ze daar biologisch niet toe in staat zijn.
1.4. Het Bijbels argument
De pauselijke leer beweert dat de Bijbel seksuele activiteit tussen mensen van hetzelfde geslacht veroordeelt. Zij wijst op Genesis 19-1:29, Leviticus 18:22 en parallel 20:13 in de Hebreeuwse Bijbel; en op Romeinen 1:26-27; 1 Korintiërs 6:9-10; en 1 Timoteüs 1:10 in het Nieuwe Testament.
Deze verzen verwijzen echter alleen naar specifieke vormen van seksuele activiteit tussen mannen van hetzelfde geslacht en geen van deze verordeningen veroordeelt mannelijke relaties tussen mannen van hetzelfde geslacht in het algemeen (zie §3 hier voor een samenvatting van recent onderzoek).
In de wereld waarin de bijbelse auteurs leefden, kwam de seksuele activiteit van mannen van hetzelfde geslacht tot uiting in seksuele relaties die gewoonlijk tijdelijk waren (d.w.z. niet levenslang), niet vrij, en zelfs uitbuitend, als gevolg van onevenwichtigheden in leeftijd, status en macht. Daarom is geen enkele bijbelse passage die seksuele activiteit tussen mannen van hetzelfde geslacht veroordeelt, relevant voor de morele beoordeling van vrije en trouwe relaties tussen mannen van hetzelfde geslacht.
Ook veelzeggend is dat nergens in de bijbel vrouwelijk seksueel gedrag expliciet wordt veroordeeld.
Tenslotte wordt nergens in de bijbel openstaan voor voortplanting geëist bij elke seksuele handeling, of in het leven van een paar. De bijbel benadrukt dat de menselijke seksualiteit in het algemeen, en het huwelijk in het bijzonder, er duidelijk ook zijn voor kameraadschap en wederzijdse hulp (Genesis 2:18, 24).
1.5. Conclusies
Er zijn geen gronden, noch vanuit de wetenschap noch vanuit de Bijbel, om de huidige pauselijke leer te ondersteunen dat elke geslachtsdaad een voortplantingsbetekenis en finaliteit heeft, en dat bijgevolg geslachtsdaden van hetzelfde geslacht “intrinsiek ongeordend” zijn omdat ze een voortplantingsbetekenis en finaliteit ontberen.
De criteria voor de morele beoordeling van relaties en seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht moeten dezelfde zijn als die voor de morele beoordeling van relaties en seksuele handelingen tussen heteroseksuelen.
Homoseksuele relaties kunnen even levengevend en zegenrijk zijn als hun heteroseksuele tegenhangers. Zij kunnen een of meer van de niet-conceptieve betekenissen van de menselijke seksualiteit vervullen, waaronder plezier, liefde, troost, feest, vriendschap en kameraadschap.
2. Aanbevelingen
2.1. Officieel raadplegingsproces
Gezien de schadelijke gevolgen van de katholieke leer voor mensen met een niet-heteroseksuele seksuele oriëntatie, de wereldwijde reikwijdte van katholieke instellingen en het feit dat het onderwerp al uitvoerig is onderzocht, bevelen wij dringend aan dat de bevoegde autoriteiten in de katholieke kerk een officieel raadplegingsproces opzetten om de mening te vragen van christelijke theologen en deskundigen in andere relevante disciplines met betrekking tot de ethiek van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht.
Ongeacht het raadplegingsproces moeten de ingewonnen adviezen onafhankelijk zijn, representatief voor het meerderheidsstandpunt van de betrokken academische gemeenschappen, en openbaar worden gemaakt.
Indien er geen unanimiteit is, moeten ook de namen en argumenten van degenen die het niet eens zijn met het meerderheidsstandpunt, openbaar worden gemaakt.
Het onderhavige verslag kan worden beschouwd als de eerste stap in de richting van een dergelijk raadplegingsproces.
2.2. Officieel Magisterieel Document
Mochten de bewijzen en argumenten die in het rapport van het Wijngaards Instituut naar voren worden gebracht door het overlegproces worden bekrachtigd, dan zou een officieel magisterieel document de absolute veroordeling van vrije, trouwe en levenslange niet-heteroseksuele relaties moeten herroepen, en de criteria voor hun morele evaluatie, pastorale begeleiding en liturgische viering moeten uiteenzetten.
2.3. Bisschoppenconferenties
Onafhankelijk van een officieel magisterieel document dienen nationale bisschoppelijke conferenties aan te bevelen dat door katholieken geleide instellingen onmiddellijk een einde maken aan elke arbeidspraktijk die niet-heteroseksuele mensen discrimineert.
2.4. Afschaffing van discriminerende praktijken
Aanvaarding van Humanae Vitae en Homosexualitatis Problema als een teken van orthodoxie moet worden verwijderd uit alle selectieprocedures, inclusief die van bisschoppen, kandidaten voor het priesterschap, en al het personeel van katholieke instellingen.
2.5. Restitutie
Waar mogelijk moet de schade aan de carrières van medewerkers van katholieke instellingen en katholieke geleerden die zijn gecensureerd omdat zij zich hebben uitgesproken ter verdediging van de moraliteit van vrije, trouwe en levenslange relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, worden erkend en hersteld.
3. Beoordeling van de officiële pauselijke argumenten tegen relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht
Dit hoofdstuk biedt een meer gedetailleerde uitleg van de “Samenvatting van bevindingen” die gericht is op het huidige pauselijke standpunt over deze kwestie. Net als het rapport is ook deze samenvatting door alle auteurs en oorspronkelijke ondertekenaars collegiaal getoetst.
3.1 Het “natuurwet”-argument: Relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn immoreel omdat ze onvruchtbaar zijn [RR §2]
De pauselijke leer houdt vol dat relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht niet in staat zijn tot biologische voortplanting, wat beschouwd wordt als een “natuurlijke”, essentiële finaliteit van elke geslachtsdaad. “Homoseksuele activiteit is geen complementaire verbintenis, in staat om leven over te dragen…” (Homosexualitatis Problema §7), en dus zijn “verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht niet in staat om op een behoorlijke manier bij te dragen tot de voortplanting en het voortbestaan van het menselijk ras” (Beschouwingen over voorstellen tot wettelijke erkenning van verbintenissen tussen homoseksuele personen §7).
Dit is gebaseerd op de overtuiging dat de biologische “wetten van de conceptie” (Humanae Vitae §13, zie §10) aantonen dat elke geslachtsdaad als zijn natuurlijke “finaliteit” en “betekenis” voortplanting heeft (Humanae Vitae §§3, 12). Uit een dergelijke overtuiging wordt de morele eis afgeleid dat paren die geslachtsgemeenschap hebben, altijd open moeten staan voor voortplanting.
Dit argument bevat de volgende fouten.
3.2 Fouten in het “natuurwet”-argument
3.2.1. Geen enkele geslachtsdaad heeft een onafhankelijk biologisch “vermogen” tot voortplanting, en dus kan niet gezegd worden dat het altijd voortplanting als finaliteit heeft [RR §4.1].
Het oorzakelijk verband tussen inseminatie enerzijds en, anderzijds, bevruchting, innesteling, en uiteindelijk voortplanting, is niet noodzakelijk, maar statistisch. Als dat niet zo was, zou elke daad van inseminatie resulteren in een bevruchting.
Bijgevolg is het biologische “vermogen” tot voortplanting van een bepaalde heteroseksuele geslachtsdaad relatief, d.w.z. afhankelijk van de statistische vervulling van talrijke voorwaarden. Geen enkele daad van heteroseksueel geslachtsverkeer heeft een onafhankelijke biologische “capaciteit” tot voortplanting, en er kan dus niet worden gezegd dat voortplanting altijd het “eindpunt” ervan is.
In de praktijk betekent dit dat de overgrote meerderheid van de handelingen van het heteroseksuele geslachtsverkeer noch een biologische capaciteit, noch een finaliteit voor voortplanting heeft en in dat opzicht identiek is aan niet-heteroseksuele seksuele handelingen.
3.2.2. Het pauselijk argument is in tegenspraak met de bijbelse opvatting over de meervoudige doeleinden van de menselijke seksualiteit [RR §4.6].
De Hebreeuwse Bijbel bevestigt dat het doel van de menselijke seksualiteit bestaat uit kameraadschap, wederzijdse hulp (Genesis 2:18, 24), en lichamelijk genot (Hooglied 5:1; Spreuken 5:18-19).
Het is veelbetekenend dat voortplanting niet is opgenomen in de basispassage van Genesis 2:18-24. In Genesis 1:28, waar het wel wordt genoemd, wordt het beschreven als een zegen. Evenzo wordt nergens in het Nieuwe Testament het vermogen, of de intentie, tot voortplanting voorgeschreven als een essentiële vereiste voor het huwelijk in het algemeen of voor elke seksuele handeling in het bijzonder.
Daarom is het pauselijke axioma dat “openstaan voor voortplanting” een essentiële vereiste is voor elke seksuele gemeenschapsdaad, niet in overeenstemming met de bijbelse leer.
Samenvattend, de Bijbel onderschrijft andere morele doelen van seksuele activiteit dan voortplanting. Seksuele activiteit tussen personen van hetzelfde geslacht kan deze niet-conceptieve morele doeleinden van de menselijke seksualiteit vervullen.
3.2.3. Andere wetenschappelijke disciplines bevestigen dat menselijke seksualiteit belangrijke andere doelen heeft dan voortplanting [RR §§4.3-4.4].
Dat menselijke seksualiteit niet-conceptieve doeleinden omvat die onafhankelijk zijn van voortplanting en in plaats daarvan gericht zijn op het versterken van de paarbanden, wordt onder andere bevestigd door de evolutionaire biologie van de menselijke voortplanting, de psychologie en de sociologie.
3.2.4. Tegenstrijdigheid met de heersende katholieke theologie, het kerkelijk recht en de pauselijke leer zelf, die onvruchtbaarheid niet beschouwen als een belemmering voor het huwelijk [RR §4.5].
In overeenstemming met het bijbelse bewijs stellen zowel de katholieke theologie als het kerkelijk recht dat het vermogen tot biologische voortplanting niet noodzakelijk is voor een sacramenteel huwelijk: “Onvruchtbaarheid maakt een huwelijk niet ongeoorloofd noch ongeldig” (Codex Iuris Canonici §1084.3).
Evenzo betoogde paus Pius XII in 1951 dat vruchtbare (gehuwde) heteroseksuele paren vrijgesteld kunnen worden van de plicht tot voortplanting, zelfs voor de duur van een huwelijk, als zij ernstige redenen hebben van “medische, eugenetische, economische of sociale aard”.[31]
In 1968 herhaalde Paulus VI dat standpunt, en voegde eraan toe dat “Seksuele activiteit [van man en vrouw] niet […] ophoudt legitiem te zijn, zelfs wanneer, om redenen onafhankelijk van hun wil, wordt voorzien dat zij onvruchtbaar zal zijn” (Humanae Vitae §11).
In een document uit 2016 waarin de conclusies van de Internationale Bisschoppensynode werden samengevat, veroordeelde paus Franciscus ook de presentatie van het huwelijk “op een zodanige wijze dat zijn unitieve betekenis, zijn oproep om te groeien in liefde en zijn ideaal van wederzijdse bijstand worden overschaduwd door een bijna exclusieve nadruk op de plicht tot voortplanting” (Amoris Laetitia §36).
Het merkt verder op dat “voortplanting” en “moederschap”[32] niet uitsluitend “biologische realiteiten” zijn (Amoris Laetitia §178), en dat zij “niet de enige manieren zijn om de vruchtbaarheid van de liefde te ervaren:” deze vruchtbaarheid kan ook tot uitdrukking komen door adoptie, of eenvoudig door bij te dragen aan de samenleving (Amoris Laetitia §181). Zowel niet-heteroseksuele als heteroseksuele relaties zijn in staat tot dat soort vruchtbaarheid.
3.2.5. Ongegronde veronderstellingen over de schadelijke gevolgen van relaties tussen partners van hetzelfde geslacht voor de partners, de kinderen en de samenleving.
De pauselijke leer beweert ook dat verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht “schadelijk” zijn voor de partners zelf en voor de “goede ontwikkeling van de menselijke samenleving” in het algemeen, en “de normale ontwikkeling van kinderen die aan de zorg van dergelijke personen zijn toevertrouwd” schaden (Beschouwingen over voorstellen tot wettelijke erkenning van verbintenissen tussen homoseksuele personen §§7-8). Dergelijke beweringen worden niet gestaafd door de thans beschikbare psychologische en sociologische gegevens.
3.2.6. Conclusie.
Wat wij weten uit de menswetenschappen over de vele dimensies en betekenissen van de menselijke seksualiteit is in tegenspraak met de absolute veroordeling door het Vaticaan van alle handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht.[33] Het feit dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht “niet in staat zijn op een behoorlijke manier bij te dragen tot de voortplanting en het voortbestaan van het menselijk ras” (Beschouwingen betreffende voorstellen tot wettelijke erkenning van verbintenissen tussen homoseksuele personen §7) maakt ze niet intrinsiek immoreel. Zowel relaties tussen personen van hetzelfde geslacht als heteroseksuele relaties kunnen in brede zin vruchtbaar zijn: voor de partners, voor hun kinderen als zij zich voortplanten, adopteren of pleegkinderen zijn, en voor de samenleving in het algemeen.
3.3. Fouten in de Vaticaanse interpretatie van bijbelse passages over gedragingen van personen van hetzelfde geslacht
3.3.1. Het tweede pauselijke argument voor het verbieden van seksueel verkeer tussen mensen van hetzelfde geslacht is dat het veroordeeld zou zijn in bepaalde bijbelse passages. Deze zijn: Genesis 19:1-29, Leviticus 18:22 en parallel 20:13; 1 Korintiërs 6:9-10; 1 Timoteüs 1:10; en Romeinen 1:26-27.
3.3.2. Vrouwelijke seksualiteit van hetzelfde geslacht. Al deze verzen verwijzen alleen naar mannelijk gedrag van hetzelfde geslacht: nergens in de Bijbel wordt vrouwelijk gedrag van hetzelfde geslacht expliciet verboden of veroordeeld. Vooral veelzeggend is het ontbreken ervan in de code over seksuele reinheid, die de onwettige seksuele gedragingen van zowel mannen als vrouwen opsomt (Leviticus 18:1-30). In het Nieuwe Testament noemt Romeinen 1:26 de “onnatuurlijke relaties” van vrouwen, zonder verdere specificatie. Zoals hieronder (§5.7) wordt opgemerkt, is dit waarschijnlijk een verwijzing naar vrouwen van voor de zondvloedstijd die gemeenschap hadden met engelachtige wezens (Genesis 6:1-4).
3.3.3. Geen enkele bijbelse passage die mannelijke activiteit van hetzelfde geslacht veroordeelt, is relevant voor de morele beoordeling van vrije en trouwe relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht. In de wereld waarin de bijbelse auteurs leefden, kwam mannelijk gedrag van hetzelfde geslacht gewoonlijk tot uiting in seksuele relaties die tijdelijk waren (d.w.z. niet levenslang), niet vrij, en zelfs uitbuitend, als gevolg van onevenwichtigheden in leeftijd, status en macht. Daarom is geen enkele bijbelse passage die mannelijke activiteit van hetzelfde geslacht veroordeelt relevant voor de morele beoordeling van vrije en trouwe relaties tussen mannen van hetzelfde geslacht [RR §5.1].
3.3.4. Genesis 19:1-29. Die gebeurtenis interpreteren als een veroordeling van seksuele handelingen tussen mannen van hetzelfde geslacht gaat in tegen de bijbelse tekst. Die passage beschrijft geen consensuele seksuele activiteit, maar veeleer de poging tot groepsverkrachting door de mannen van Sodom van de bezoekende engelengasten van Lot – een “goddeloze zaak” die werd verergerd door de schending van de plicht tot gastvrijheid (verzen 7-8). Deze gebeurtenis bezegelde ook niet het lot van Sodom: toen het gebeurde had God al besloten Sodom en Gomorra te vernietigen op grond van het feit dat alle inwoners – vrouwen en mannen – zich schuldig hadden gemaakt aan een niet nader omschreven “zware zonde”; ondanks Abrahams smeekbeden om genade kon God onder hen niet eens tien rechtvaardigen vinden (Genesis 18:16-33). Dit wordt elders in de Hebreeuwse Bijbel bevestigd, waar de verwijzing naar de verwoesting van Sodom wordt uitgelegd als een straf voor arrogantie en een onverschillige houding tegenover armen en behoeftigen (Ezechiël 16:48-50).
3.3.5. Leviticus 18:22 en parallel daaraan 20:13. De traditionele interpretatie ervan als een veroordeling van alle mannelijke seksueel verkeer tussen mensen van hetzelfde geslacht is gebaseerd op een verkeerde vertaling die niet langer houdbaar is. Het verbod is eerder beperkt tot een specifiek soort mannelijke relatie van hetzelfde geslacht.
Dat zijn waarschijnlijk relaties met mannen die getrouwd zijn (veroordeeld als overspelig), of ongehuwd zijn maar onder de seksuele voogdij van een Judeese vrouw staan (veroordeeld als incestueus).
Ongeacht het precieze doel ervan, suggereert het feit dat het verbod betrekking had op een specifiek type mannelijke relatie van hetzelfde geslacht, dat geslachtsgemeenschap met mannen buiten de verboden categorie als toelaatbaar werd beschouwd [RR §5.3].
3.3.6. 1 Korintiërs 6:9-10; en 1 Timoteüs 1:10. Deze passages maken deel uit van twee “zondenlijsten” die het soort zondaars beschrijven dat de hemel niet zal binnengaan.
Beide passages bevatten de zeldzame Griekse term “arsenokoitai” (letterlijk: “knapenschenders”); in 1 Korintiërs 6:9 wordt deze onmiddellijk voorafgegaan door de term “malakoi” (letterlijk: “softies” of “verwijfden”).
Het woord “arsenokoitai” is zeer zeldzaam, maar recent onderzoek suggereert dat het waarschijnlijk verwijst naar de actieve partner in mannelijk geslachtsverkeer.
De literaire betekenis moet worden begrepen binnen zijn culturele context. In de Grieks-Romeinse wereld van Paulus’ tijd hadden sociaal dominante mannen, die meestal getrouwd waren, regelmatig seks met hun slaven of prostituees, zowel jongens als mannen, en namen zij gewoonlijk de actieve rol op zich. Hun ondergeschikten hadden weinig of geen keus. Gezien deze context verwees Paulus’ veroordeling van ” knapenschenders ” waarschijnlijk naar de rol en verantwoordelijkheid van die sociaal dominante mannen in uitbuitende, en vaak overspelige, mannelijke geslachtsgemeenschap van hetzelfde geslacht.
Dit wordt ondersteund door de retorische context van beide zedenlijsten. In 1 Korintiërs 6 is het doel van de lijst om Paulus’ bredere argument te illustreren: dat christen-zijn vereist dat je handelt met rechtvaardigheid (1 Korintiërs 6:7-8). ” knapenschenders ” kunnen alleen als onrechtvaardig handelen worden beschouwd als de verwijzing slaat op het soort mannelijke seksuele activiteiten van hetzelfde geslacht die in de Grieks-Romeinse wereld van Paulus’ tijd het meest voorkwamen, en die uitbuitend waren [RR §5.4].
In 1 Timotheüs 1:10 noemt de bijbelse auteur “hoereerders, knapenschenders , slavenhandelaars…”. Het is al lang opgemerkt dat de structuur van de bredere zedenlijst van verzen 9-11 de Decaloog lijkt te weerspiegelen. Als de verwijzing naar de Decaloog opzettelijk is, suggereert dit dat de auteur van 1 Timotheüs de “knapenschenders” (samen met de “hoereerders”) beschouwde als vertegenwoordigers van de overspeligen, d.w.z. degenen die handelen tegen het zevende gebod. Daarom zijn de “knapenschenders” in kwestie waarschijnlijk de actieve partners in seksueel verkeer tussen mannen van hetzelfde geslacht, die gewoonlijk in een heteroseksueel huwelijk leefden, maar die, vanwege hun dominante sociale positie, regelmatig seksueel verkeer konden hebben en hadden met mannelijke slaven of prostituees. Dit wordt verder ondersteund door het feit dat de term die onmiddellijk volgt op “knapenschenders” “slavenhandelaren” is, die berucht waren om hun betrokkenheid bij de sekshandel [RR §5.5].
Het Griekse woord “malakoi”, dat het best vertaald kan worden met “verwijfden”, werd daarentegen veel gebruikt en had een breed scala aan betekenissen voor mensen met karaktereigenschappen die als vrouwelijk werden beschouwd. Het kon gebruikt worden om mensen aan te duiden die “zwak van wil” waren of “geen zelfbeheersing hadden”. Op seksueel gebied kon het woord verwijzen naar een “vrouwenversierder”, maar ook naar een “pathic”, d.w.z. de passieve partner in mannelijk geslachtsverkeer. Moderne vertalingen van 1 Korintiërs 6:9 kiezen vaak voor deze laatste betekenis, waardoor het de tegenhanger zou worden van ” knapenschenders “. Die interpretatieve keuze is echter onmogelijk met zekerheid vast te stellen tegenover mogelijke alternatieven. Indien correct, zou het echter kunnen verwijzen naar die mannen, gewoonlijk jonger en van een sociaal lagere status zoals slaven, die seksuele gunsten zouden verkopen in ruil voor geld, beschermheerschap, of andere sociale voordelen.
Ongeacht de precieze vertaling houdt Paulus’ veroordeling van zowel ” knapenschenders ” als “verwijfden” geen veroordeling in van vrije, trouwe en levenslange mannelijke relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht.
3.3.7. Romeinen 1:26-27. Deze verzen worden algemeen beschouwd als de duidelijkste veroordeling van homoseksueel gedrag in het Nieuwe Testament. Zij maken deel uit van een groter gedeelte, Romeinen 1:18-2:11, waarin Paulus een argument opbouwt ter ondersteuning van zijn stelling dat allen gezondigd hebben, heidenen zowel als Joden. Recent onderzoek suggereert dat de verzen 26-27 waarschijnlijk verwijzen naar een destijds bekende apocalyptische retorische topos van het “dubbele oordeel”. Het bestond uit twee voorbeelden uit de Joodse heilige geschiedenis van menselijke gevallenheid en goddelijke oordelen.
Vers 26 is waarschijnlijk geen verwijzing naar vrouwelijke homoseksualiteit, maar naar de vrouwen die met engelwezens sliepen vóór de zondvloed (een literaire traditie geïnspireerd door Genesis 6:1-4).
Vers 27 is waarschijnlijk een verwijzing naar het specifieke homoseksuele gedrag van de mannen van het oude Sodom (een literaire traditie geïnspireerd door Genesis 18:16-19:29).
Romeinen 1:27 interpreteren als een universele veroordeling van vrije, trouwe en levenslange homoseksuele mannenrelaties is in de tekst iets lezen wat er niet staat. Zo’n interpretatie zou ook in strijd zijn met de tolerantie van consensueel homoseksueel gedrag die besloten ligt in het ontbreken van zo’n veroordeling elders in de Bijbel [RR §§5.6-5.7].
3.3.8. Het is onmogelijk om met absolute zekerheid vast te stellen of Paulus en de auteur van 1 Timoteüs in respectievelijk 1 Korintiërs 6:9-10 en 1 Timoteüs 1:9-10 verwezen naar consensuele of uitbuitende relaties. De laatste waren verreweg het meest verbreid, en daarom is het waarschijnlijk dat zij het voorwerp zijn van de veroordeling door de bijbelse auteur. Evenzo suggereert intertekstueel bewijs dat Romeinen 1:26-27 bijna zeker een verwijzing is naar een standaard dubbel-oordeel motief van apocalyptische retoriek betreffende de antediluviaanse vrouwen en de mannen van Sodom.
In alle drie de gevallen is de pauselijke interpretatie volgens welke Paulus een normatieve veroordeling uitspreekt van niet-abusief consensueel homoseksueel gedrag veel onwaarschijnlijker en in elk geval even onmogelijk met absolute zekerheid vast te stellen.
Een dergelijke exegetische onzekerheid werkt noodzakelijkerwijs door in elke ethische of theologische gevolgtrekking die uit deze teksten kan worden gemaakt. Als er geen zekerheid is over het soort mannelijke homoseksuele handelingen waar Paulus naar verwees – vrijwillig of misbruik – is het evenmin mogelijk om er ethische normen uit af te leiden: “Theologische doctrines en ethische regels kunnen niet gebaseerd worden op exegetische veronderstellingen” [RR §5.8].
3.3.9. Conclusie. De Bijbel bevat geen verbod of veroordeling van vrije, Trouwe en levenslange relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht.
Bijdragende auteurs en oorspronkelijke ondertekenaars
Let op: alle bijdragende auteurs, oorspronkelijke ondertekenaars en medeondertekenaars hebben alleen de “Samenvatting van bevindingen” en “Aanbevelingen” (d.w.z. §§1-2) onderschreven. Zij hebben dit uitsluitend op persoonlijke titel gedaan en vertegenwoordigen niet het standpunt van hun werkgevers.
Alle ondertekenaars en medeondertekenaars hebben ook zowel de “Beoordeling van de Officiële Pauselijke Argumenten tegen Relaties tussen Personen van hetzelfde geslacht” (d.w.z. §3 hier, die uitbreidt op, en wordt verwezen door, de “Samenvatting van Bevindingen”), als het uitgebreide onderzoeksrapport “Christian Objections to Same Sex Relationships: An Academic Assessment”, hier beschikbaar, dat in deze Academische Verklaring wordt samengevat.
Luca Badini Confalonieri, PhD Director of Research, Wijngaards Institute for Catholic Research, UK.
Sharon A Bong, PhD Associate Professor in Gender and Religious Studies, Monash University, Selangor, Malaysia.
Michael Brinkschröder, PhD Independent New Testament scholar and sociologist.
Aloysius Lopez Cartagenas, PhD Formerly Rector of San Carlos Seminary and professor in Theological Ethics and Catholic Social Teaching, School of Theology, Cebu City, Philippines; at present an independent scholar.
Margaret A. Farley, PhD Gilbert L. Stark Professor Emerita of Christian Ethics, Yale University Divinity School, USA.
Jeannine Gramick, PhD Sister of Loretto, Co-Founder of New Ways Ministry, Mount Rainier, Maryland, USA.
Hille Haker, PhD Richard McCormick Endowed Chair of Ethics, Loyola University, Chicago, USA.
Karin Heller, PhD Professor of Theology, Whitworth University, Westminster, Spokane WA, USA.
Michael Lawler, PhD Amelia and Emil Graff Professor of Catholic Theology (Emeritus), Creighton University, Omaha, Nebraska, USA.
Kathryn Lilla Cox, PhD Visiting Research Associate, Department of Theology and Religious Studies, San Diego University, USA.
Gerard Loughlin, PhD Professor of Theology, University of Durham, UK.
Aaron Milavec, PhD Vice-President Emeritus, Catherine of Siena Virtual College, Cincinnati, USA.
Stanisław Obirek, PhD Professor of Humanities, University of Warsaw, Poland.
Markus Patenge, PhD Commission for Justice and Peace of the German Catholic Episcopal Conference, Germany.
Irina Pollard, PhD Associate Professor of Biological Sciences, Macquarie University, Sydney, Australia.
Todd Salzman, PhD Amelia and Emil Graff Professor of Catholic Theology, Creighton University, Omaha, Nebraska, USA.
Mark S. Smith, PhD Helena Professor of Old Testament Literature and Exegesis, Princeton Theological Seminary, and Skirball Professor Emeritus of Bible and Ancient Near Eastern Studies, New York University.
David Stronck, PhD Professor (Emeritus), Department of Teacher Education, California State University, USA.
Cristina Traina, PhD Head Religious Studies, Northwestern University, Evanston, Illinois, USA.
John Wijngaards, PhD Professor Sacred Scripture (Emeritus), Missionary Institute London, UK.
Co-Signatories
Antonio Autiero, PhD Professor Emeritus of Moral Theology, University of Münster, Germany.
Ignace Berten OP, Dominican, theologian.
Jennifer G Bird, PhD Adjunct Assistant Professor, University of Portland, USA.
Mary C. Boys, PhD Skinner & McAlpin Professor of Practical Theology, Union Theological Seminary in the City of New York, USA.
Lisa Sowle Cahill, PhD J. Donald Monan, S.J., Professor of Theology at Boston College.
Krzysztof Charamsa, PhD Theologian, former official at the Congregation for the Doctrine of the Faith.
Brian Doyle, PhD Professor of Theology and Religious Studies, Marymount University, Arlington, Virginia, USA.
Heather Eaton, PhD Professor of Conflict Studies, Saint Paul University, Ottawa, Canada.
Martin Ebner, PhD Professor Emeritus of New Testament Exegesis, Department of Catholic Theology, University of Bonn, Germany.
Brian P Flanagan, PhD Associate Professor of Theology, Marymount University, Arlington, Virginia, USA.
Ivone Gebara, PhD Professor Emeritus of Philosophy and Systematic Theology, Instituto de Teologia de Recife, Brasil.
John F. Haught, PhD Distinguished Research Professor, Department of Theology, Georgetown University, Washington DC, USA.
Daniel A. Helminiak, PhD Emeritus Professor of Psychology, University of West Georgia, Carrollton, GA, USA.
Thomas Hieke, PhD Professor of Old Testament, Catholic Theological Faculty, University of Mainz, Germany.
Natalia Imperatori-Lee, PhD Professor of Religious Studies, Manhattan College, New York, USA.
John Inglis, PhD Professor of Philosophy, Cross-appointed to Religious Studies, University of Dayton, Dayton, Ohio, USA.
Gerard M. Jacobitz, PhD, Assistant Professor of Theology, Saint Joseph’s University, Philadelphia, Pennsylvania, USA
Jan Jans, PhD Associate Professor Emeritus of Ethics, Tilburg University, Netherlands.
Claudia Janssen, PhD Professor of New Testament and Theological Gender Studies, Kirchliche Hochschule Wuppertal/Bethel, Germany.
Jennifer W Knust, PhD Professor of Religious Studies, Trinity College of Arts & Science, Duke University, Durham, USA.
Gerhard Kruip, PhD Professor of Christian Anthropology and Social Ethics, Johannes Gutenberg-Universität Mainz.
Joachim Kügler, PhD Professor of New Testament Studies, University of Bamberg, Germany.
Paul Lakeland, PhD Aloysius P. Kelley, S.J. Professor of Catholic Studies, Fairfield University, USA.
Liza B Lamis, DMin Executive Secretary, International Fellowship of the Least Coin.
Bernhard Lang, PhD Professor Emeritus of Biblical Studies, University of Paderborn, Germany.
Arche L. Ligo, MA Prof. of Catechetics, Institute of Formation and Religious Studies, Quezon City, Philippines.
Astrid Lobo Gajiwala, PhD Microbiology, Medicine and Theology, Head, Tissue Bank, Tata Memorial Hospital, Mumbai, India.
John Mansford Prior SVD, PhD Senior lecturer in inter-cultural theology, Ledalero Institute of Philosophy, Maumere, Flores, NTT, Indonesia.
Moisés Mayordomo, PhD Professor of New Testament, Faculty of Theology, University of Basel, Switzerland.
Mary McAleese, PhD Professor of Children, Law and Religion, University of Glasgow, UK; Chancellor, Trinity College, Dublin, Ireland.
Marcus Mescher, PhD Associate Professor of Christian Ethics, Department of Theology, Xavier University, Cincinnati, Ohio, USA.
Norbert Mette, PhD Professor Emeritus of Practical Theology, University of Dortmund, Germany.
Jesús Peláez del Rosal, PhD Professor Emeritus of Greek Philology, University of Cordoba, Spain.
Richard Penaskovic, PhD Professor Emeritus of Religious Studies at Auburn University, Auburn, Alabama, USA.
Gunter Prüller-Jagenteufel, PhD Associate Professor of Theological Ethics, Faculty of Catholic Theology, University of Vienna (Austria).
Boris Repschinski SJ, PhD Professor of New Testament, Institute for Biblical Studies and Historical Theology, Department of Catholic Theology, University of Innsbruck, Austria.
Susan K Roll, PhD Associate Professor (Emerita), Faculty of Theology, Saint Paul University, Ottawa, Canada.
Susan A Ross, PhD Professor of Theology Emerita, Loyola University Chicago, USA.
Virginia Ryan, PhD Lecturer in Catholic Ethics, College of the Holy Cross, Worcester, Massachusetts, USA.
Susanne Scholz, PhD Professor of Old Testament, Perkins School of Theology, Southern Methodist University, Dallas, Texas, USA.
Elisabeth Schüssler Fiorenza, PhD Krister Stendahl Professor, Harvard Divinity School, Cambridge, Massachusetts, USA.
Vincent M. Smiles, PhD Professor of Theology, College of St. Benedict & St. John’s University, Minnesota, USA.
Johanna Stiebert, PhD Professor of Hebrew Bible, University of Leeds, UK.
J. Milburn Thompson, PhD Professor Emeritus of Theology, Bellarmine University, Louisville, Kentucky, USA.
Terrence W. Tilley, PhD Professor Emeritus of Theology, Fordham University, USA.
Claudete Beise Ulrich, PhD Professor of Public Theology and the Study of Religion, Faculdade Unida de Vitoria, Brazil.
Jürgen Werbick, PhD Professor Emeritus of Fundamental Theology, Catholic Theological Faculty, University of Münster, Germany.
Wolbert Werner, PhD Professor Emeritus of Catholic Theology, University of Salzburg, Germany.
Aloys Wijngaards Jr., PhD Researcher in Theology, Ethics and Economics, Amsterdam, the Netherlands.
Aloys Wijngaards Sr., MA (Doctorandus) Pastoral Theology’ (Emeritus), Diaconal Training College Dijnselburg, Zeist, the Netherlands.
Nelleke Wijngaards-Serrarens, MA Soc (Doctoranda) Sociology & Family Guidance (Emerita), Diaconal Training College Dijnselburg, Zeist, the Netherlands.
Kelly M. Wilson, PhD Adjunct Professor of Theology, University of St. Thomas, Minneapolis MN, USA.
The list will be updated as new signatories will endorse the statement.
Notes
[29] The paragraph numbers in italics in square brackets refer to the relevant section of the Research Report, which provides the evidence backing the statement, e.g. [RR §2].
[30] World Medical Association, “Statement on Natural Variations of Human Sexuality,” October 2013; see also Dinesh Bhugra et al., “WPA Position Statement on Gender Identity and Same-Sex Orientation, Attraction and Behaviours,” World Psychiatry 15, no. 3 (2016): 299–300.
[31] Pius XII, “Discorso di Sua Santità Pio PP. XII alle partecipanti al congresso della Unione Cattolica Italiana Ostetriche” (29 October 1951).
[32] What Amoris Laetitia affirms there can be applied to “parenthood” in general, that is to fatherhood as well as motherhood.
[33] The January 2020 Working Paper “Leben in gelingenden Beziehungen” (“Living in Successful Relationships”) of the Synodal Way of the German Catholic Church concluded that “The normative postulates of current Catholic sexual morality contradict the knowledge of the human sciences on the multiple dimensions of meaning of human sexuality.” It further noted that “[R]elationships in which values such as love, friendship, reliability, fidelity, and mutual dedication are lived deserve recognition from the moral point of view.” Both conclusions are in line with the research summarized in this statement. The original Working Paper in German is accessible here https://www.synodalerweg.de/fileadmin/Synodalerweg/Dokumente_Reden_Beitraege/SW-Vorlage-Forum-IV.pdf.